Ik hou niet van rommel, en al helemaal niet op en in een menselijk lichaam. Dat ik een passie voor lekker poepen heb wisten jullie natuurlijk al lang, maar dat ik daarnaast een aan fetisjisme grenzende obsessie heb voor alles wat ergens uitgeknepen, uitgedrukt of van afgeschraapt kan worden is wellicht een noviteitje voor jullie. Geen enkele porie is veilig als ik mijn op onzuiverheden getrainde oog over een stuk huid laat glijden, geruggensteund door twee in de aanslag verkerende knijp-en pulkgrage wijsvingers.
Meeëters zijn het lekkerst. Als ik oog in oog sta met zo’n zwarte kop kan ik hem mijn naam horen roepen. Het gelei-achtige streepje dat na enig drukwerk dartel naar buiten komt zetten veroorzaakt bij mij euforische momenten. Het is dan ook op zijn zachtst gezegd betreurenswaardig dat ik niet altijd kan toegeven aan de drang om deze wormpjes uit hun krappe holletjes te bevrijden. Ik voorspel onbegrip als ik de persoon naast mij in de tram vraag of ik zijn meeëters uit mag knijpen, omdat ze mij vanaf zijn neus als spinnenoogjes uitdagend zitten aan te kijken. Het in de houdgreep nemen van hun gastheer om ze flink te grazen te nemen lijkt me evenmin een optie.
Vroeger had ik een vriendje die een meeëter van het formaat negerzoen op zijn rug had zitten die ik tot mijn grootste frustratie niet uit mocht knijpen. Met omslachtige rugmassages (‘nee schatje ik zit niet aan je meeëter, dit is een Daihatsu-Feng Shui-Fu Yong Hai-massage’) is het me toch gelukt om het monster de kop in te drukken, of uit te drukken, in dit geval.
Waar deze obsessie vandaan komt weet ik niet precies. Misschien heeft het iets te maken met het brede scala aan piercings dat ik tussen mijn veertiende en mijn negentiende door mijn vlees heb laten jassen. Elke piercing was na het plaatsen eerst minstens zes maanden ontstoken, met als gevolg dat mijn lichaam in die tijd een verontrustende hoeveelheid pus produceerde. Ik had er een vitrine puddingbroodjes mee kunnen vullen. Onder mijn wenkbrauwpiercing ontstond een opbollend stuk huid met daaronder een oase van pus. Met precisie drukte ik vanuit de juiste hoek op het bultje en voorzag de spiegel dagelijks gepassioneerd van een kloddertje Joppiesaus.
Er bestaat meer lichamelijke drek die mijn hart sneller doet laten kloppen. Neem bijvoorbeeld brokjeshoest. Aan brokjeshoest gaat helaas altijd een fikse luchtweginfectie vooraf, maar met de verrukkelijke stukjes longblubber die jachtig uit mijn longen komen springen kan ik me minutenlang vermaken, helemaal als het klontertje een harde kern heeft, want een harde kern in een fluim is als ribbels op een dildo: extra genot.
Brokjeshoest moet zijn podium echter wel delen met zijn opponent: snot. Het extraheren van een ferme pulk kan mijn dag helemaal goed maken. Ik koester mijn snotjes, het bewijs daarvan is het stuk groene braille aan de zijkant van mijn autostoel.
Last but not least zijn er nog de korstjes. Ik mag korstjes na het lostrekken graag even tussen mijn voortanden nemen om op te gaan in hun vreemdsoortige textuur. Sinds mijn twaalfde heb ik ze niet meer zo vaak, omdat ik op die leeftijd na tig keer in het prikkeldraad te zijn gestort en mijn knieschijven te hebben verbrijzeld het buitenspelen maar eens aan de wilgen besloot te hangen. Korstjes doen een beroep op je geduld. Het is zaak om te wachten tot het korstje net rijp genoeg is om eraf te trekken. Uiteraard trek je altijd net te vroeg, waardoor het wondje weer gaat bloeden, en er een paar dagen later nog een bonuskorstje op komt.
Als jullie me nu even willen excuseren, dan ga ik wat meeëters opscharrelen en deze zo hard mogelijk uitknijpen. Wie weet komt er dan zelfs een korstje op. Ik haal eruit wat er in zit!



